Licht dat we mogen weerkaatsen
Soms leidt een vergissing tot iets moois. Ik dacht dat het Hebreeuwse woord אור – or (licht) verwant was aan het Franse or (goud). Dat bleek niet te kloppen. Taalkundig hebben ze niets met elkaar te maken. En toch... Het liet me niet meer los, want ergens voelde het wél waar.
Licht – or – staat in de Bijbel voor Gods aanwezigheid, inzicht, leven. Overal waar God dichtbij komt, wordt het lichter. Dat vieren we met Epifanie: God laat zich zien. Niet verborgen, niet ver weg, maar nabij. Een ster die een weg wijst. Een kind dat licht brengt in een wereld die soms donker is. Mensen die “langs een andere weg” naar huis gaan, omdat je nooit helemaal dezelfde blijft als je licht hebt gezien.
En goud?
Goud geeft geen licht.
Maar goud kan licht dragen.
Het vangt, het weerkaatst, het laat zien dat er licht ís.
In de tempel, in de tabernakel, bij de gaven van de wijzen – steeds weer is goud verbonden met wat heilig is, wat kostbaar is, wat dicht bij God mag zijn. Goud schittert niet uit zichzelf. Het glanst omdat het licht ontvangt.
Misschien is dát Epifanie in ons leven: niet dat wij zelf licht moeten zijn, maar dat we het mogen weerkaatsen.
Dat we plekken, mensen, woorden, gebaren zijn waar iets van Gods nabijheid zichtbaar wordt. Niet perfect, niet blinkend gepolijst, maar genoeg om te laten zien: er is licht, er is hoop, er is Iemand die ons kent en liefheeft.
En zo werd mijn “taalfout” ineens een geloofsbeeld:
God is licht.
Wij mogen – soms heel voorzichtig – glanzen als goud.
Moge dat onze weg zijn in deze tijd van Epifanie:
ontvangen wat God geeft, en het delen,
zodat het licht niet bij ons blijft, maar verder gaat
Marian Kneteman







