Inspiratie
1 maart 2026
(een column, uitgesproken door Marian Knetemann, in het Gruizenkerkje tijdens Zin en Hapjes, op 1 maart 2026)
Ik dacht lange tijd dat inspiratie iets was dat je moest zoeken.
Een goed idee. Een mooie gedachte. Een zin die klopt. Een gevoel dat je vooruit helpt. Alsof inspiratie een soort talent is dat sommigen hebben en anderen niet.
Tot ik begon te merken dat inspiratie zich zelden aandient wanneer je haar plant. Ze komt meestal als je in bad ligt. Of wanneer je onderweg bent.
Letterlijk.
Onlangs kocht ik een boek. In het klooster van Wittem. Mintijteer. Ik stopte het boek in mijn tas,
stapte in de auto en reed richting Antwerpen. En ergens tussen Wittem en de snelweg kreeg ik een telefoontje. Een oud-collega was overleden. Een bijzonder mens. Iemand die voor velen een soort persoonlijke engel was. Warm. Aanwezig. Inspirerend.
Kanker.
En ineens was dat boek geen gewoon boek meer. Het werd persoonlijk. Het kwam nabij. Het werd een plek waar verdriet en taal elkaar ontmoetten.
Dat is misschien wel de eerste waarheid over inspiratie: ze ontstaat niet in je hoofd, maar in je lijf. Neurowetenschappelijk weten we dit vrij goed. Wat wij inspiratie noemen is geen los idee en geen magisch moment. Het is een toestand waarin aandacht, emotie en betekenis samenkomen. Je brein reageert eerst lichamelijk. Je voelt iets. Je wordt geraakt. Je wordt stil. Of onrustig. Of alert. Pas daarna komen de woorden. Inspiratie begint dus niet bij slim denken, maar bij geraakt worden. Daarom werken muziek, kunst en religie zo sterk. Ze komen binnen voordat je ze begrijpt.
In de dagen daarna sloeg ik Mintijteer open en ik las zinnen die opeens niet theoretisch of fictief waren, maar dichtbij. Esther Maria Magnis schrijft iets als:
Ik zoek geen antwoorden
die het verdriet oplossen,
maar woorden
die het uithouden.
Dat raakte me diep. Omdat het precies verwoordt wat inspiratie soms moet doen. Niet oplossen. Niet repareren. Niet snel betekenis geven. Maar blijven. Uithouden. Aanwezig zijn. Dat is een andere vorm van inspiratie dan we gewend zijn. Geen oppepper. Geen “kom op, we gaan door”. Maar: ik blijf even hier.
Psychologisch weten we ook dit: betekenis ontstaat niet doordat iets snel overgaat, maar doordat iets gezien wordt. Rouw, verlies, ontregeling zijn geen blokkades van inspiratie. Ze zijn vaak haar bron. Creativiteit ontstaat vaak waar iets schuurt. Waar het verhaal niet klopt. Waar het leven niet netjes afgerond is. Misschien denken we te vaak dat inspiratie iets moois moet zijn. Iets lichts. Iets opwekkends.
Maar misschien is inspiratie soms gewoon dat iets je niet loslaat. Dat een zin blijft hangen. Dat een lied blijft terugkomen. Dat een mens in je gedachten blijft meereizen. Voor mij is dat bijvoorbeeld het lied Streets of London. Het vertelt geen heldenverhaal. Het kijkt naar mensen die we meestal voorbijlopen: een oude man, een vrouw in de regen, iemand zonder thuis. Het inspireert mij niet omdat het mooi is, maar omdat het leert kijken. En misschien is dat wel de kern van inspiratie: niet iets nieuws verzinnen, maar iets anders zien.
Inspiratie is bovendien zelden iets solistisch. Ze ontstaat tussen mensen. Dat zien we sociaal-wetenschappelijk, maar ook gewoon in het leven. Je wordt niet geïnspireerd door jezelf. Je wordt geïnspireerd door wat je onderbreekt. Door een boek. Een lied. Een gesprek. Een mens.
Met mijn zelfstandige activiteit ORGidee probeer ik precies daar te werken: in die tussenruimte waar samenleving en zingeving elkaar raken. Niet om antwoorden te leveren, maar om ruimte te maken. Voor vragen. Voor ontmoeting. Voor adem.
Het woord inspiratie komt van het Latijn: inspirare. Inademen. Inblazen. Hetzelfde woord zit in
spiritus: adem, geest. Inspiratie is dus geen prestatie. Het is een beweging. Iets komt binnen. Iets zet je in beweging. Je kunt haar niet afdwingen. Je kunt haar wel uitnodigen. Door aandacht. Door traagheid. Door openheid.
Daar raakt inspiratie aan intuïtie. Intuïtie is dat stille weten: dit klopt. Hier moet ik zijn. Inspiratie is wat daarna gebeurt: wat ga ik hiermee doen? Je zou kunnen zeggen: intuïtie wijst de weg, inspiratie laat je lopen. Of: intuïtie fluistert, inspiratie ademt.
Iemand zei mij onlangs: “Je weet het misschien niet, maar jij bént inspiratie.”
Mijn eerste reactie was verlegenheid. Want inspiratie voelt voor mij niet als iets wat je bént, maar als iets wat je ontvangt. En toch bleef die zin hangen. Niet omdat hij over mij ging, maar omdat hij iets zei over hoe inspiratie werkt tussen mensen. Ik werk in het onderwijs met leerlingen uit een belevingsklas. Jongeren die niet leren via uitleg, maar via ervaring. Via lichaam. Via herhaling. Via veiligheid. Daar werkt inspiratie totaal anders. Mijn leerlingen worden niet geïnspireerd door mijn mooie woorden. Ze worden geïnspireerd door: of je er bent, of je blijft, of je rustig blijft als zij onrustig zijn, of je opnieuw begint, elke dag, of je hen ziet, ook als het moeilijk is. Inspiratie is daar geen groot verhaal, maar een houding.
Neurowetenschappelijk weten we: via spiegelneuronen nemen we voortdurend emotie, houding en veiligheid van elkaar over. Rust werkt aanstekelijk. Echtheid ook. En onrust net zo goed. Inspiratie is dus vaak geen vonk, maar afstemming.
In de belevingsklas zie ik dat dagelijks. Een leerling die durft omdat iemand naast hem blijft staan. Een leerling die kalmeert omdat jij niet weggaat. Een leerling die lacht omdat hij zich gezien voelt. Dat is inspiratie zonder woorden. En ineens begreep ik die zin die iemand tegen mij zei. Misschien bedoelde die persoon niet: “je hebt goede ideeën.” (misschien ook wel). Maar: “bij jou durf ik adem te halen.” Misschien zijn we daarom vaker inspiratie voor elkaar dan we denken. Niet omdat we bijzonder zijn, maar omdat we beschikbaar zijn. Niet omdat we antwoorden hebben, maar omdat we blijven bij de vragen.
Ik reed die dag van Wittem naar Antwerpen met een boek in mijn tas en een naam in mijn hoofd. En ik begreep: inspiratie staat niet los van het leven. Ze ontstaat waar woorden en werkelijkheid elkaar raken. Waar muziek en verlies elkaar ontmoeten. Waar je niet alles dichttimmert, maar openlaat wat pijn doet.
Misschien is inspiratie vandaag geen luxe, maar een vorm van verzet. Tegen cynisme. Tegen verharding. Tegen het idee dat alles al vastligt. Inspiratie zegt: het kan anders. het mag trager. Het hoeft niet af. Het mag menselijk.
Misschien is inspiratie uiteindelijk niet iets om te zoeken, maar iets om te oefenen: oefenen in kijken, oefenen in luisteren, oefenen in geraakt worden, oefenen in niet-weten, oefenen in samen mens zijn. En misschien is dat precies waar cultuur en religie elkaar raken: niet in antwoorden, maar in aandacht. Niet in zekerheden, maar in openheid. Niet in perfectie, maar in het uithouden van wat ons raakt.
En wat mij diep heeft geraakt op de begrafenis van mijn oud-collega, naast veel andere dingen, was het lied Heb het leven lief. Niet omdat het alles goed maakt, maar omdat het niets uit de weg gaat.
Leef als een kind,
van de wind en van de liefde.
En herken de open blik
in de ogen van een vreemde.
Dans met de maan,
sla je armen om de sterren.
Ga je dromen achterna,
op de maat van de seizoenen.
Heb het leven lief,
als de stormwind gromt
en als de lente komt.
En verberg je niet,
als de regen valt
en als de donder knalt.
Huil als het moet,
tot je stikt in al je tranen.
Maar ontwapen je verdriet
met dezelfde overgave
als waarmee je huilt.
Marian Knetemann
Taakdrager met speciale opdracht
Protestantse Gemeente Maas- en Beekdal
E: marian@pgmbd.nl
T: 085-4001111
(een column, uitgesproken door Marian Knetemann, in het Gruizenkerkje tijdens Zin en Hapjes, op 1 maart 2026)
Ik dacht lange tijd dat inspiratie iets was dat je moest zoeken.
Een goed idee. Een mooie gedachte. Een zin die klopt. Een gevoel dat je vooruit helpt. Alsof inspiratie een soort talent is dat sommigen hebben en anderen niet.
Tot ik begon te merken dat inspiratie zich zelden aandient wanneer je haar plant. Ze komt meestal als je in bad ligt. Of wanneer je onderweg bent.
Letterlijk.
Onlangs kocht ik een boek. In het klooster van Wittem. Mintijteer. Ik stopte het boek in mijn tas,
stapte in de auto en reed richting Antwerpen. En ergens tussen Wittem en de snelweg kreeg ik een telefoontje. Een oud-collega was overleden. Een bijzonder mens. Iemand die voor velen een soort persoonlijke engel was. Warm. Aanwezig. Inspirerend.
Kanker.
En ineens was dat boek geen gewoon boek meer. Het werd persoonlijk. Het kwam nabij. Het werd een plek waar verdriet en taal elkaar ontmoetten.
Dat is misschien wel de eerste waarheid over inspiratie: ze ontstaat niet in je hoofd, maar in je lijf. Neurowetenschappelijk weten we dit vrij goed. Wat wij inspiratie noemen is geen los idee en geen magisch moment. Het is een toestand waarin aandacht, emotie en betekenis samenkomen. Je brein reageert eerst lichamelijk. Je voelt iets. Je wordt geraakt. Je wordt stil. Of onrustig. Of alert. Pas daarna komen de woorden. Inspiratie begint dus niet bij slim denken, maar bij geraakt worden. Daarom werken muziek, kunst en religie zo sterk. Ze komen binnen voordat je ze begrijpt.
In de dagen daarna sloeg ik Mintijteer open en ik las zinnen die opeens niet theoretisch of fictief waren, maar dichtbij. Esther Maria Magnis schrijft iets als:
Ik zoek geen antwoorden
die het verdriet oplossen,
maar woorden
die het uithouden.
Dat raakte me diep. Omdat het precies verwoordt wat inspiratie soms moet doen. Niet oplossen. Niet repareren. Niet snel betekenis geven. Maar blijven. Uithouden. Aanwezig zijn. Dat is een andere vorm van inspiratie dan we gewend zijn. Geen oppepper. Geen “kom op, we gaan door”. Maar: ik blijf even hier.
Psychologisch weten we ook dit: betekenis ontstaat niet doordat iets snel overgaat, maar doordat iets gezien wordt. Rouw, verlies, ontregeling zijn geen blokkades van inspiratie. Ze zijn vaak haar bron. Creativiteit ontstaat vaak waar iets schuurt. Waar het verhaal niet klopt. Waar het leven niet netjes afgerond is. Misschien denken we te vaak dat inspiratie iets moois moet zijn. Iets lichts. Iets opwekkends.
Maar misschien is inspiratie soms gewoon dat iets je niet loslaat. Dat een zin blijft hangen. Dat een lied blijft terugkomen. Dat een mens in je gedachten blijft meereizen. Voor mij is dat bijvoorbeeld het lied Streets of London. Het vertelt geen heldenverhaal. Het kijkt naar mensen die we meestal voorbijlopen: een oude man, een vrouw in de regen, iemand zonder thuis. Het inspireert mij niet omdat het mooi is, maar omdat het leert kijken. En misschien is dat wel de kern van inspiratie: niet iets nieuws verzinnen, maar iets anders zien.
Inspiratie is bovendien zelden iets solistisch. Ze ontstaat tussen mensen. Dat zien we sociaal-wetenschappelijk, maar ook gewoon in het leven. Je wordt niet geïnspireerd door jezelf. Je wordt geïnspireerd door wat je onderbreekt. Door een boek. Een lied. Een gesprek. Een mens.
Met mijn zelfstandige activiteit ORGidee probeer ik precies daar te werken: in die tussenruimte waar samenleving en zingeving elkaar raken. Niet om antwoorden te leveren, maar om ruimte te maken. Voor vragen. Voor ontmoeting. Voor adem.
Het woord inspiratie komt van het Latijn: inspirare. Inademen. Inblazen. Hetzelfde woord zit in
spiritus: adem, geest. Inspiratie is dus geen prestatie. Het is een beweging. Iets komt binnen. Iets zet je in beweging. Je kunt haar niet afdwingen. Je kunt haar wel uitnodigen. Door aandacht. Door traagheid. Door openheid.
Daar raakt inspiratie aan intuïtie. Intuïtie is dat stille weten: dit klopt. Hier moet ik zijn. Inspiratie is wat daarna gebeurt: wat ga ik hiermee doen? Je zou kunnen zeggen: intuïtie wijst de weg, inspiratie laat je lopen. Of: intuïtie fluistert, inspiratie ademt.
Iemand zei mij onlangs: “Je weet het misschien niet, maar jij bént inspiratie.”
Mijn eerste reactie was verlegenheid. Want inspiratie voelt voor mij niet als iets wat je bént, maar als iets wat je ontvangt. En toch bleef die zin hangen. Niet omdat hij over mij ging, maar omdat hij iets zei over hoe inspiratie werkt tussen mensen. Ik werk in het onderwijs met leerlingen uit een belevingsklas. Jongeren die niet leren via uitleg, maar via ervaring. Via lichaam. Via herhaling. Via veiligheid. Daar werkt inspiratie totaal anders. Mijn leerlingen worden niet geïnspireerd door mijn mooie woorden. Ze worden geïnspireerd door: of je er bent, of je blijft, of je rustig blijft als zij onrustig zijn, of je opnieuw begint, elke dag, of je hen ziet, ook als het moeilijk is. Inspiratie is daar geen groot verhaal, maar een houding.
Neurowetenschappelijk weten we: via spiegelneuronen nemen we voortdurend emotie, houding en veiligheid van elkaar over. Rust werkt aanstekelijk. Echtheid ook. En onrust net zo goed. Inspiratie is dus vaak geen vonk, maar afstemming.
In de belevingsklas zie ik dat dagelijks. Een leerling die durft omdat iemand naast hem blijft staan. Een leerling die kalmeert omdat jij niet weggaat. Een leerling die lacht omdat hij zich gezien voelt. Dat is inspiratie zonder woorden. En ineens begreep ik die zin die iemand tegen mij zei. Misschien bedoelde die persoon niet: “je hebt goede ideeën.” (misschien ook wel). Maar: “bij jou durf ik adem te halen.” Misschien zijn we daarom vaker inspiratie voor elkaar dan we denken. Niet omdat we bijzonder zijn, maar omdat we beschikbaar zijn. Niet omdat we antwoorden hebben, maar omdat we blijven bij de vragen.
Ik reed die dag van Wittem naar Antwerpen met een boek in mijn tas en een naam in mijn hoofd. En ik begreep: inspiratie staat niet los van het leven. Ze ontstaat waar woorden en werkelijkheid elkaar raken. Waar muziek en verlies elkaar ontmoeten. Waar je niet alles dichttimmert, maar openlaat wat pijn doet.
Misschien is inspiratie vandaag geen luxe, maar een vorm van verzet. Tegen cynisme. Tegen verharding. Tegen het idee dat alles al vastligt. Inspiratie zegt: het kan anders. het mag trager. Het hoeft niet af. Het mag menselijk.
Misschien is inspiratie uiteindelijk niet iets om te zoeken, maar iets om te oefenen: oefenen in kijken, oefenen in luisteren, oefenen in geraakt worden, oefenen in niet-weten, oefenen in samen mens zijn. En misschien is dat precies waar cultuur en religie elkaar raken: niet in antwoorden, maar in aandacht. Niet in zekerheden, maar in openheid. Niet in perfectie, maar in het uithouden van wat ons raakt.
En wat mij diep heeft geraakt op de begrafenis van mijn oud-collega, naast veel andere dingen, was het lied Heb het leven lief. Niet omdat het alles goed maakt, maar omdat het niets uit de weg gaat.
Leef als een kind,
van de wind en van de liefde.
En herken de open blik
in de ogen van een vreemde.
Dans met de maan,
sla je armen om de sterren.
Ga je dromen achterna,
op de maat van de seizoenen.
Heb het leven lief,
als de stormwind gromt
en als de lente komt.
En verberg je niet,
als de regen valt
en als de donder knalt.
Huil als het moet,
tot je stikt in al je tranen.
Maar ontwapen je verdriet
met dezelfde overgave
als waarmee je huilt.
Marian Knetemann
Taakdrager met speciale opdracht
Protestantse Gemeente Maas- en Beekdal
E: marian@pgmbd.nl
T: 085-4001111
terug







