Leefregels vroeger en nu

4 oktober 2020
Dat er leefregels zijn is deze dagen maar al te goed duidelijk. Binnen de gemeente Maas- en Beekdal wordt er alles aan gedaan om de nieuwe coronamaatregelen uit te voeren. Dus kwamen de gemeenteleden met mondkapjes op de Ontmoetingskerk binnen, de handen ontsmet en op 1,5 meter afstand van elkaar.

Op deze Israëlzondag, 4 oktober, preekte dominee Pier Prins over leefregels vroeger en nu. Ze zijn er niet om ons te beknotten, maar juist om ons op weg te helpen. De bijbehorende lezingen waren uit Deuteronomium 30: 11-20 en uit Mattheus 5: 17-19.
Een mooi bijpassend verhaal werd vooraf verteld door Connie Seute. Zij beschreef op levendige manier hoe vroeger haar Joodse baas de leefregels toepaste en hoezeer ze daar van onder de indruk raakte.

Tekst: Willy de Koning
Onder de foto is de door Connie Seute uitgesproken tekst te vinden.

Goedemorgen: mijn naam is Connie Seute en op verzoek van dominee Prins wil ik u een paar voorvallen vertellen die plaatsvonden in de tijd dat ik als secretaresse in dienst was bij een Joods bedrijf in Suriname.

DE JOOD LEO BENJAMIN; EEN ZEER BIJZONDER MENS.

Het was in het jaar 1957 toen mijn man en ik naar Paramaribo verhuisden.
Na mij eerst een beetje vertrouwd te hebben gemaakt met mijn nieuwe leefomgeving ging ik op zoek naar een baan. Via een kennis werd een sollicitatiegesprek voor mij geregeld bij een plaatselijk zeer bekende firma; het in-en exportbedrijf L.Benjamin. Men had met spoed een nieuwe secretaresse nodig en ik was à la minuut beschikbaar dus dat kwam mooi uit.
Meteen toen ik het kantoor binnenkwam vielen mij de kleine langwerpige kokertjes op die op de deurposten van de diverse kamers waren bevestigd. De persoon die mij aannam vertelde mij dat dit mezoeza’s waren. De eigenaar-directeur van het bedrijf, de heer Leo Benjamin was een Jood en het is een joods gebruik om deze kokertjes te bevestigen aan elke rechter deurpost. Er zitten stukjes perkament papier in met gebedsteksten uit Deuteronomium 6: vers 4-9 en 11: vers 13-21.
Hij vertelde mij toen ook dat ik bofte met een baan bij een Joods bedrijf omdat er op zaterdag (de Sabbath) niet gewerkt werd. In die tijd kenden wij nog geen vrije zaterdag. Ook op alle Joodse feestdagen was het personeel vrij. Uiteraard klonk me dat goed in de oren. Natuurlijk werd ook tijdens de Christelijke feestdagen vrij gegeven.

De heer Leo Benjamin die dus de directeur/eigenaar van dit bedrijf was, bleek behalve de firma in Paramaribo, ook een kantoor in Amsterdam te hebben. Hij woonde zelf in New York met zijn vrouw en vier kinderen en hij reisde zo’n beetje op en neer tussen deze drie locaties. Momenteel was hij in Amsterdam en hij zou waarschijnlijk, na een bezoek aan New York, de volgende maand naar Paramaribo komen. Dat gaf mij dus mooi de tijd om me in te werken.
Op een ochtend, enkele weken later, trof ik in het kantoor een mij onbekende man aan die zich voorstelde als de directeur Leo Benjamin. Uiteraard was hij ingelicht over het feit dat er een nieuwe secretaresse was gekomen en hij  was net zo nieuwsgierig naar mij als ik naar hem. Hij was al wat ouder, ik schatte hem op eind vijftig/begin zestig.
Na kennis gemaakt te hebben begonnen we aan het dagelijks werk, het doornemen van de post.  Een kwartiertje later waren we daar doorheen en kon ik aan de slag. Een poos kon ik rustig werken want Benjamin had de kamer verlaten. Maar op een gegeven moment hoorde ik nogal wat kabaal op de gang en even later ging de deur open en kwam Benjamin binnen met Bob, de boekhouder. Ze waren gewikkeld in een fel dispuut en het ging er niet zachtjes aan toe. Ik kon er dus van meegenieten, alhoewel ik niet begreep wat er aan de hand was.
Achteraf werd mij door de verkoopleider het een en ander uitgelegd. Hij vertelde mij dat over alles wat de firma Benjamin invoerde invoerrechten moesten worden betaald. Sommige artikelen, meestal noodzakelijke levensbehoeften, waren belast met een laag tarief en andere met een hoog. Vaak was er onduidelijkheid in welke groep bepaalde producten thuishoorden en de douane probeerde dan altijd het hoogste tarief in rekening te brengen, terwijl Bob er een meester in was om die goederen tegen een veel lager tarief binnen te krijgen.
Dit was een voortdurende strijd en Bob maakte er een spel van om zoveel mogelijk te winnen. Helaas werd dat spel door hem niet altijd even eerlijk gespeeld, maar zodra Benjamin dat in de gaten kreeg dan waren de poppen aan het dansen. Benjamin hield absoluut niet van dat achterbakse gedoe en sinds enige tijd had hij de gewoonte aangenomen om, zodra hij terug was in Paramaribo, alle transacties van de afgelopen tijd na te lopen en als hij ook maar iets verdachts bespeurde werd Bob op het matje geroepen. Dit leidde bijna altijd tot een zeer verhit debat maar het eind van het liedje was meestal dat de tweede boekhouder opdracht kreeg uit te rekenen hoeveel de overheid tekort was gedaan door Bobs manipulaties.
Dat bedrag werd dan alsnog overgemaakt op rekening van de douane, anoniem, want men kon zichzelf natuurlijk niet bloot geven. Een poosje ging dan alles goed, maar dan kon Bob het toch weer niet laten en begon het spel weer van voren af aan.
Ik zat erbij en hoorde het allemaal aan en ik kreeg grote bewondering voor deze meneer Benjamin, die heel graag geld wilde verdienen, maar dan wel op een eerlijke manier.
Toen het ooit eens, een paar jaar later, ter sprake kwam, zei hij dat hij graag rustig sliep en altijd probeerde zijn geweten zo schoon mogelijk te houden. Hij gaf me de goede raad altijd naar mijn geweten te luisteren en te doen wat dat mij ingaf. Een goede raad van een eerlijk mens, die ik altijd heb geprobeerd op te volgen, maar die ik ook wel in de wind heb geslagen, tot mijn eigen schade.

Een paar jaar later vond er een nieuw gewetensconflict plaats. Het magazijn dat zich achter het kantoorgebouw bevond, begon te klein te worden. Er was voldoende ruimte om aan te bouwen, echter was er een groot bezwaar. Precies daar waar de nieuwe aanbouw zou moeten komen stond een grote boom, een z.g. Broodboom. Dit is een boom met eetbare vruchten en volgens de Joodse wet mag die niet zomaar omgehakt worden. Ik heb ettelijke brieven aan de Rabbi in New York moeten schrijven om te proberen toch toestemming tot verwijdering te krijgen, maar de Rabbi bleef onverbiddelijk: de boom mocht niet weg.
Goede raad was duur; het bedrijf had dringend meer ruimte nodig en een nieuwe loods ergens anders bouwen was logistiek gezien geen optie.
Urenlang zat Benjamin met de magazijnmeester te puzzelen en uiteindelijk werd een afspraak gemaakt met een aannemer. Men had een enigszins merkwaardige oplossing gevonden: er zou een magazijn gebouwd worden om de boom heen, dus met een open binnenplaats zodat de boom toch voldoende licht, lucht en water kon ontvangen.
Een tekening werd aan de Rabbi in New York gestuurd die nu wel zijn goedkeuring kon geven en het duurde niet lang of er werd met de bouw begonnen.                                                                                                                              Dat het nieuwe magazijn wel minstens viermaal zo duur werd als oorspronkelijk was begroot, daar sprak verder niemand over. Maar Benjamin was blij dat het probleem, waar hij erg mee in zijn maag zat, toch op een goede manier was opgelost binnen de grenzen van zijn religie. En weer was mijn respect voor deze man met ettelijke sprongen gestegen.

Na onze terugkeer naar Nederland in 1964 heb ik nooit meer iets van hem of het bedrijf gehoord of gezien.
Maar ik heb hem nooit vergeten en ben nog altijd dankbaar dat ik deze man heb leren kennen en zoveel van hem heb geleerd.

Beek, 4 oktober 2020.

 
terug